Home/Blog/Overlijdensverzekering als zelfstandige:…
    Overlijdensverzekering als zelfstandige: welk kapitaal heb je nodig?

    Overlijdensverzekering als zelfstandige: welk kapitaal heb je nodig?

    Hoeveel overlijdenskapitaal heb je nodig als zelfstandige? Rekenmethode, drie constructies en fiscale gevolgen bij uitkering.

    Ongeveer 10% van de Belgen bereikt de pensioenleeftijd niet. Voor zelfstandigen tussen 35 en 49 jaar met een gezin is dat een concreet risico, niet alleen emotioneel maar ook financieel. Anders dan werknemers met een groepsverzekering, moet een zelfstandige zijn overlijdensdekking zelf regelen. De centrale vraag is niet of je een overlijdensverzekering nodig hebt, maar hoeveel kapitaal erin moet zitten en via welke constructie je dat opbouwt.

    Waarom is een overlijdensverzekering anders voor een zelfstandige?

    Een werknemer met een groepsverzekering heeft doorgaans automatisch een overlijdensdekking ter waarde van een of meerdere jaarlonen. Bij een zelfstandige bestaat die automatische bescherming niet. Het enige wat de overheid voorziet, is het overlevingspensioen of de overgangsuitkering.

    Het overlevingspensioen is voorbehouden aan de langstlevende partner die minimaal 51 jaar is (in 2026). Het bedrag wordt berekend op basis van de loopbaan van de overleden zelfstandige en is in de praktijk beperkt. Wie jonger is dan 51 jaar, komt mogelijk in aanmerking voor een overgangsuitkering. Die duurt maximaal 24 maanden en stopt daarna volledig.

    Tegelijk lopen de vaste kosten door: hypotheek, energiefacturen, schoolgeld, eventuele professionele kredieten. Bij een zelfstandige met vennootschap komt daar nog een laag bij: de vennootschap verliest haar belangrijkste inkomstenbron en kan in continuïteitsproblemen komen. Wie de financiële gevolgen van een arbeidsongeschiktheid kent via het RIZIV-stelsel, weet dat de wettelijke vangnetten voor zelfstandigen smal zijn. Bij overlijden zijn ze nog smaller.

    Hoeveel overlijdenskapitaal heb je nodig? Een rekenmethode

    Er bestaat geen standaardformule, maar een veelgebruikte aanpak werkt in vier stappen.

    Stap 1: bepaal het jaarlijkse netto-inkomen dat wegvalt. Neem je nettobijdrage aan het gezinsinkomen. Voor een zelfstandige is dat het bedrag dat effectief naar het gezin vloeit, na sociale bijdragen en belastingen.

    Stap 2: vermenigvuldig met het aantal jaren dat je gezin financiële steun nodig heeft. Een gangbare vuistregel is 5 tot 10 jaar, afhankelijk van de leeftijd van eventuele kinderen en de financiële zelfredzaamheid van je partner. Een gezin met twee jonge kinderen en een partner die deeltijds werkt, heeft een langere horizon dan een koppel zonder kinderen met twee volwaardige inkomens.

    Stap 3: tel eenmalige kosten erbij op. Denk aan het openstaande saldo van hypothecaire leningen (voor zover niet afgedekt door een schuldsaldoverzekering), professionele kredieten, studiekosten voor kinderen en begrafeniskosten. Reken voor dat laatste op 5.000 tot 10.000 euro.

    Stap 4: trek bestaande dekkingen af. Ga na welk kapitaal al opgebouwd is via een VAPZ, IPT of pensioenverzekering met overlijdensdekking. Trek ook het kapitaal van een bestaande schuldsaldoverzekering af.

    Een concreet voorbeeld: een 40-jarige zelfstandige met een nettobijdrage van 3.000 euro per maand aan het gezinsinkomen, twee schoolgaande kinderen en een openstaande hypotheek van 180.000 euro (afgedekt via schuldsaldo). Het gezin heeft naar schatting 8 jaar financiële ondersteuning nodig. De rekensom: 3.000 euro x 12 maanden x 8 jaar = 288.000 euro, plus 60.000 euro voor studiekosten en begrafenis, min 35.000 euro opgebouwde pensioenreserves met overlijdensdekking. Dat geeft een indicatief benodigd kapitaal van circa 313.000 euro. De hypotheek zit daar niet in, want die is al afgedekt.

    Dit is een indicatie, geen exacte wetenschap. Het punt is dat je de oefening maakt en niet gokt op een rond getal.

    Drie constructies: privé, via IPT of als bedrijfsleidersverzekering

    Als zelfstandige heb je drie routes om een overlijdensdekking op te bouwen. Elke constructie heeft andere fiscale gevolgen en een ander toepassingsgebied.

    Privé overlijdensverzekering. Je sluit de polis zelf af en betaalt de premie met privégeld. De premie kan een belastingvermindering van 30% opleveren in de derde pijler (langetermijnsparen), op voorwaarde dat er nog fiscale ruimte is in die korf. De verzekeringstaks bedraagt 2% op elke premiestorting. De begunstigde kies je vrij. Deze constructie staat volledig los van je vennootschap en de 80%-regel.

    Overlijdensdekking via de IPT. De vennootschap sluit een Individuele Pensioentoezegging af met een aanvullende overlijdensdekking, of een zuivere overlijdensdekking als IPT. De premie is aftrekbaar als beroepskost en de verzekeringstaks bedraagt 4,4%. De begunstigde is doorgaans het gezin. Het grote aandachtspunt: de overlijdensdekking valt binnen de 80%-regel. Hoe hoger de overlijdensdekking, hoe minder ruimte er overblijft voor pensioenopbouw, en omgekeerd. Wie al een hoge IPT-pensioenopbouw heeft, moet goed afwegen of er nog voldoende marge is.

    Bedrijfsleidersverzekering (BLV). Ook hier betaalt de vennootschap, maar de begunstigde is de vennootschap zelf. Het doel is de continuïteit van de onderneming te garanderen: het uitgekeerde kapitaal kan dienen om een interim-manager te financieren, lopende contracten af te handelen of professionele kredieten af te lossen. De premie is aftrekbaar als beroepskost. Bij uitkering betaalt de vennootschap vennootschapsbelasting op het ontvangen kapitaal. Een BLV beschermt de vennootschap, niet het gezin. Wie beide wil afdekken, combineert een BLV met een privépolis of IPT-dekking.

    Criterium Privépolis IPT-overlijdensdekking Bedrijfsleidersverzekering
    Wie betaalt? Jijzelf Vennootschap Vennootschap
    Begunstigde Vrij te kiezen Gezin Vennootschap
    Premietaks 2% 4,4% 4,4%
    Fiscaal voordeel 30% belastingvermindering (derde pijler) Aftrekbaar als beroepskost (80%-regel) Aftrekbaar als beroepskost

    Fiscaliteit en belasting op de uitkering

    Het fiscale plaatje bij uitkering verschilt sterk per constructie.

    Bij een privépolis ontvangt de begunstigde het kapitaal buiten de nalatenschap, maar het kan wel onderworpen zijn aan erfbelasting. In Vlaanderen hangt het tarief af van de verwantschap en het bedrag. De rolverdeling in de polis (wie is verzekeringnemer, wie is verzekerde, wie is begunstigde) bepaalt of de uitkering als schenking, als erfenis of als eigen vermogen wordt beschouwd. Een verkeerde rolverdeling kan tot dubbele belasting leiden. Wie meer wil weten over die structurering, vindt achtergrondinformatie op de pagina over successieplanning.

    Bij een IPT-overlijdensdekking wordt het uitgekeerde kapitaal belast als pensioenkapitaal van de tweede pijler. De eindbelasting ligt doorgaans tussen 10% en 20%, afhankelijk van het fiscaal regime en het moment van uitkering. Daarbovenop kan erfbelasting verschuldigd zijn. De begunstigde ontvangt dus netto minder dan het brutokapitaal in de polis.

    Bij een bedrijfsleidersverzekering ontvangt de vennootschap het kapitaal. Dat wordt toegevoegd aan het belastbaar resultaat en belast tegen het tarief van de vennootschapsbelasting (25% in 2026, of 20% op de eerste schijf van 100.000 euro voor kleine vennootschappen). Er is geen erfbelasting verschuldigd, want het kapitaal komt niet bij een natuurlijk persoon terecht.

    Valkuilen en aandachtspunten

    De eerste valkuil is een schuldsaldoverzekering beschouwen als volledige overlijdensbescherming. Een schuldsaldo dekt enkel het openstaande krediet. Het vervangt niet het weggevallen inkomen en voorziet niet in studiekosten of levensonderhoud. Wie alleen een schuldsaldo heeft, is doorgaans onvoldoende beschermd.

    De tweede valkuil zit in de begunstigingsclausule. Wie geen begunstigde aanduidt, of een verouderde aanduiding laat staan (bijvoorbeeld een ex-partner), riskeert dat het kapitaal bij de verkeerde persoon terechtkomt of in de nalatenschap valt met alle fiscale gevolgen van dien. Een begunstigingsclausule actualiseren kost niets en duurt vijf minuten. Het nalaten kan duizenden euro's kosten.

    Verder is er het risico van onderverzekering bij de medische vragenlijst. De verzekeraar stelt bij afsluiting vragen over je gezondheid. Wie die onvolledig of onjuist invult, kan bij overlijden geconfronteerd worden met een weigering van uitkering. Wees accuraat, ook als het oncomfortabel voelt.

    Tot slot: een overlijdensverzekering is geen eenmalige beslissing. Huwelijk, scheiding, geboorte van kinderen, een nieuwe lening of een stijgend inkomen veranderen de behoefte. Wie zijn polis niet periodiek herbekijkt, loopt het risico dat de dekking niet meer aansluit bij de realiteit.


    Een overlijdensverzekering voor een zelfstandige draait niet om angst, maar om rekenen. Het vertrekpunt is het gat tussen wat de overheid voorziet en wat je gezin nodig heeft. Via welke constructie je dat gat dicht, hangt af van je vennootschapsstructuur, je fiscale ruimte en je prioriteiten. Wil je die oefening eens concreet maken voor jouw situatie? Neem dan contact op voor een vrijblijvend gesprek.

    Wil je jouw situatie bespreken?

    Een verkennend gesprek is altijd vrijblijvend en vertrekt vanuit jouw cijfers, niet vanuit een product.

    Plan een gratis gesprek