Individuele pensioentoezegging: hoe werkt een IPT voor bedrijfsleiders?
Een IPT helpt bedrijfsleiders fiscaal efficiënt pensioen op te bouwen via de vennootschap. Hoe werkt de 80%-regel, wat kost het en wanneer loont het?
Als bedrijfsleider van een vennootschap bouw je een wettelijk pensioen op dat structureel lager ligt dan dat van een werknemer. Het wettelijk minimumpensioen voor zelfstandigen is de afgelopen jaren verhoogd, maar bedraagt in 2026 nog steeds ongeveer 1.222 euro bruto per maand bij een volledige loopbaan. Wie gewend is aan een bezoldiging van 3.000 of 4.000 euro per maand, voelt dat verschil na pensionering meteen. Een individuele pensioentoezegging, kortweg IPT, is het instrument waarmee je als bedrijfsleider dat gat fiscaal efficiënt dicht via je vennootschap. Dit artikel legt uit hoe een IPT werkt, wat het kost, wanneer het zinvol is en waar de grenzen liggen.
Wat is een IPT en voor wie is het bedoeld?
Een IPT is een levensverzekering die je vennootschap afsluit ten voordele van jou als bedrijfsleider. De vennootschap is de verzekeringnemer en betaalt de premies. Jij bent zowel de verzekerde als de begunstigde: het opgebouwde kapitaal is bij uitkering voor jou persoonlijk.
De IPT is uitsluitend toegankelijk voor bedrijfsleiders die via een vennootschap werken en zichzelf een regelmatige, minstens maandelijkse bezoldiging uitkeren. Wie geen loon opneemt uit zijn vennootschap, heeft in principe geen toegang tot een IPT, want de maximale premie wordt berekend op basis van dat loon. Zelfstandigen zonder vennootschap hebben geen recht op een IPT. Voor hen is het VAPZ het centrale instrument voor pensioenopbouw in de tweede pijler. Eénmanszaken die de VAPZ-ruimte hebben uitgeput, kunnen aanvullend overwegen om een POZ (Pensioenovereenkomst voor Zelfstandigen) te openen.
IPT en VAPZ zijn voor bedrijfsleiders met een vennootschap combineerbaar. Beide tellen mee in de berekening van de maximale fiscale ruimte, de zogenaamde 80%-grens. Een volledig beeld van de keuze tussen beide instrumenten vind je in onze post VAPZ of IPT als bedrijfsleider.
Hoe werkt de 80%-regel bij een IPT?
De premies die je vennootschap in een IPT stort, zijn fiscaal aftrekbaar als beroepskost. Maar niet onbeperkt. De 80%-regel bepaalt dat de som van je geraamd wettelijk pensioen en al je aanvullende pensioenen uit de tweede pijler (VAPZ, IPT en eventuele andere contracten) samen niet meer mag bedragen dan 80% van je laatste normale bruto jaarbezoldiging.
Onder bezoldiging vallen naast je loon ook de voordelen alle aard die je van je vennootschap ontvangt, zoals een bedrijfswagen, een woning of een gsm. Hoe hoger je bezoldiging, hoe meer pensioenruimte de 80%-regel je geeft.
De precieze berekening is complex. Je verzekeraar of adviseur maakt die elk jaar opnieuw op basis van je actuele verloning, je leeftijd, het aantal opgebouwde loopbaanjaren en de bestaande reserves in lopende contracten. Als je te veel stort, vervalt de aftrekbaarheid op het deel boven de 80%-grens. Het is dus geen éénmalige oefening, maar een jaarlijkse check.
Eén praktisch gevolg voor bedrijfsleiders die willen profiteren van het verlaagde kmo-tarief in de vennootschapsbelasting: om dat tarief van 20% op de eerste schijf van 100.000 euro winst te kunnen toepassen, moet je jezelf minstens 50.000 euro bruto per jaar uitkeren, of minstens evenveel als de belastbare winst van de vennootschap als die lager ligt (situatie 2026). Een hoger loon verhoogt tegelijkertijd de IPT-ruimte.
Premietaks en fiscale aftrekbaarheid: wat kost een IPT de vennootschap?
Een IPT-premie wordt betaald met vennootschapsgeld. Op de premie voor pensioenopbouw betaalt je vennootschap een verzekeringstaks van 4,4%. Voor aanvullende dekkingen zoals arbeidsongeschiktheid geldt een tarief van 9,6% (tarief van toepassing vanaf 01/04/2026). Daarbovenop zijn er instapkosten, die per verzekeraar verschillen. Die kosten zijn definitief en niet recupereerbaar.
Zolang de 80%-grens gerespecteerd wordt, is de volledige premie aftrekbaar als beroepskost in de vennootschapsbelasting. De vennootschap bespaart dus onmiddellijk 20% of 25% vennootschapsbelasting op het gestorte bedrag. Jij betaalt als bedrijfsleider op dat moment geen personenbelasting. De belasting wordt uitgesteld tot aan de uitkering bij pensionering, en dan geheven aan het gunstige tarief van 10%.
Ter vergelijking: wie hetzelfde bedrag uit de vennootschap wil halen als dividend, betaalt eerst vennootschapsbelasting op de winst (20% of 25%), en daarna roerende voorheffing op het dividend. Afhankelijk van het regime dat van toepassing is (gewone dividenduitkering, VVPR bis of liquidatiereserve) loopt de totale belastingdruk aanzienlijk op. De combinatie van premietaks, instapkosten en uitgestelde eindbelasting van 10% weegt in de meeste scenario's aanzienlijk lichter dan de gecombineerde belastingdruk op een dividenduitkering.
Een bijkomend voordeel is de flexibiliteit die backservice biedt. Wie een eenmalige backservice-storting doet voor historische pensioenruimte, kan dat bedrag onmiddellijk inzetten als voorschot voor een vastgoedinvestering. Op die manier fungeert de IPT tegelijk als pensioenopbouw en als liquiditeitsinstrument op kortere termijn, zonder dat de vennootschap het kapitaal definitief uitkeert.
Backservice: pensioenruimte uit het verleden benutten
Een van de meest onderschatte voordelen van de IPT is de backservice. Als je in voorgaande jaren minder hebt gestort dan de maximaal toegelaten premie op basis van de 80%-grens, kan je die gemiste pensioenruimte in één of meerdere boekjaren inhalen.
Concreet mag je via backservice stortingen doen voor alle jaren als bedrijfsleider binnen je huidige of vroegere vennootschappen, en bovenop dat voor maximaal 10 jaar buiten de vennootschapsperiode, waarbij die buitenperiode beperkt is op basis van wettelijke plafonds. Voor de zelfstandige loopbaanjaren vóór de vennootschap geldt een beperkt referentiebedrag per jaar.
Dit maakt de IPT bijzonder interessant voor bedrijfsleiders die op latere leeftijd een vennootschap hebben opgericht. Wie op zijn 45ste start en zichzelf een marktconform loon uitkeert, kan via een combinatie van reguliere premies en backservice in relatief korte tijd een substantieel pensioenkapitaal opbouwen. Dat is structureel onmogelijk met een VAPZ, dat geen backservice kent.
Tak 21 of tak 23 binnen een IPT?
Bij het afsluiten van een IPT kies je een beleggingsformule. De twee basisopties zijn tak 21 en tak 23, of een combinatie.
Tak 21 biedt een gewaarborgd rendement aangevuld met een niet-gegarandeerde winstdeling. Het kapitaal staat vast, het risico ligt bij de verzekeraar. Tak 23 koppelt het rendement aan onderliggende beleggingsfondsen. Er is geen kapitaalgarantie, maar het groeipotentieel is hoger bij een langere beleggingshorizon.
Bij een IPT is een volledige tak 23-invulling wettelijk toegestaan, in tegenstelling tot een VAPZ waar het tak 23-aandeel doorgaans wettelijk beperkt is. Voor wie nog 15 tot 25 jaar tot pensioen heeft, kan dat rendementsvoordeel over de volledige looptijd een aanzienlijk verschil maken in eindkapitaal. De concrete impact hiervan op de lange termijn wordt uitgebreid besproken in VAPZ versus IPT op lange termijn.
IPT en vastgoed: het voorschot als liquiditeitsinstrument
Een minder bekende maar relevante eigenschap van de IPT is de koppeling aan vastgoedfinanciering. Afhankelijk van het contract en de verzekeraar kan je 60% tot 70% van de opgebouwde reserve als voorschot opnemen voor de aankoop, bouw of renovatie van een onroerend goed in de Europese Economische Ruimte. Alternatief is het mogelijk de IPT in pand te geven als waarborg voor een hypothecair krediet.
Een praktisch aandachtspunt: banken en kredietverstrekkers vragen bij dit type financiering doorgaans dat het IPT-kapitaal wordt overgebracht naar of belegd blijft in tak 21. De kapitaalgarantie van tak 21 dient als zekerheid voor de lening of het voorschot. Wie volledig in tak 23 belegt, zal bij een vastgoedfinanciering vaak moeten overstappen naar tak 21, minstens voor het gedeelte dat als onderpand dient.
Dit maakt de IPT niet alleen een pensioenspaarvehikel, maar ook een potentieel liquiditeitsinstrument op middellange termijn. Wie via backservice een substantiële reserve heeft opgebouwd, kan die inzetten voor een vastgoedinvestering zonder het contract te beëindigen. Het voorschot wordt terugbetaald uit het eindkapitaal bij pensionering.
Eindbelasting bij uitkering: wat houdt u netto over?
Bij uitkering op de wettelijke pensioenleeftijd wordt het IPT-kapitaal belast. Het tarief hangt af van de leeftijd waarop je het kapitaal opneemt en of je tot dat moment effectief actief bent gebleven.
| Leeftijd bij uitkering | Belastingtarief (2026) |
|---|---|
| Wettelijke pensioenleeftijd (67 jaar), actief gebleven | 10% |
| Loopbaan van 45 jaar afgerond, actief gebleven | 10% |
| 65 jaar | 10% |
| 62 tot 64 jaar | 16,5% |
| 61 jaar | 18% |
| 60 jaar | 20% |
Bovenop de belasting op het kapitaal wordt altijd een RIZIV-bijdrage van 3,55% en een solidariteitsbijdrage van 0% tot 2% ingehouden. Vanaf 1 januari 2026 wordt standaard 2% solidariteitsbijdrage ingehouden bij uitkering, met een latere herberekening en terugbetaling als het werkelijke percentage lager ligt.
De winstdeling die je via een tak 21-contract hebt opgebouwd, is vrijgesteld van de eindbelasting. Enkel het garantiekapitaal wordt belast.
Een aandachtspunt voor wie een hoge aanvullende pensioenopbouw heeft: de Wijninckx-bijdrage. Deze bijdrage is in 2026 gestegen van 3% naar 12,5% en wordt geheven wanneer de totale reserves in alle tweede-pijlercontracten samen boven een wettelijke drempel uitkomen. Deze drempel is in de praktijk pas relevant voor bedrijfsleiders met een lang lopende IPT, een hoge bezoldiging én maximale benutting van meerdere tweede-pijlerproducten tegelijk. Voor de grote meerderheid van bedrijfsleiders is de Wijninckx-bijdrage niet van toepassing. Wie twijfelt, vraagt zijn adviseur om de drempel te berekenen op basis van zijn situatie.
Wanneer is een IPT minder geschikt?
Een IPT is niet in elke situatie de meest aangewezen keuze.
Wie geen regelmatige bezoldiging opneemt uit zijn vennootschap, kan geen IPT afsluiten. Er is geen werkbare basis voor de 80%-berekening. In dat geval is een andere strategie voor vermogensopbouw via de vennootschap meer aangewezen.
Wie zichzelf een laag loon uitkeert, heeft beperkte IPT-ruimte. De 80%-grens stijgt evenredig met de bezoldiging. Bij een brutoloon van 2.000 euro per maand is de ruimte klein. Een loonsverhoging kan de IPT-premieruimte vergroten, maar die keuze heeft ook gevolgen voor de personenbelasting en sociale bijdragen.
Wie vlak voor pensionering staat en nog maar een paar jaar te gaan heeft, zal via een IPT beperkt kapitaal kunnen opbouwen tenzij er historische backservice-ruimte beschikbaar is. In dat geval blijft de IPT interessant, maar de verwachting is anders dan bij een 35-jarige met een lange horizon.
Ten slotte: een IPT lost het pensioenprobleem maar gedeeltelijk op. Wie zijn inkomen wil beschermen bij langdurige ziekte of invaliditeit, heeft daarvoor een apart gewaarborgd inkomen nodig. De IPT biedt daartegen geen structurele dekking.
Een IPT is voor de meeste bedrijfsleiders met een regelmatige bezoldiging het krachtigste instrument voor pensioenopbouw in de tweede pijler. De aftrekbaarheid via de vennootschap, de beleggingsvrijheid in tak 23 en de mogelijkheid tot backservice geven het een bereik dat een VAPZ alleen niet haalt. De twee instrumenten zijn geen concurrenten, maar vullen elkaar aan. Het volledige overzicht van pensioenopbouw als ondernemer geeft je een bredere context.
Wil je weten hoeveel IPT-ruimte jij concreet hebt op basis van je bezoldiging? Neem contact op via de contactpagina voor een berekening op maat.
Wil je jouw situatie bespreken?
Een verkennend gesprek is altijd vrijblijvend en vertrekt vanuit jouw cijfers, niet vanuit een product.
Plan een gratis gesprek