Liquidatiereserve of VVPR-bis in 2026: wat de nieuwe regels betekenen voor jouw vennootschap
De regels voor liquidatiereserve en VVPR-bis zijn gewijzigd. Wat betekenen de nieuwe tarieven voor jouw vennootschap en welk systeem past het beste?
Twee manieren om winst fiscaalvriendelijk uit je vennootschap te halen
Wie als bedrijfsleider winst wil uitkeren, betaalt in principe 30% roerende voorheffing op een gewoon dividend. Liquidatiereserve en VVPR-bis zijn de twee wettelijke instrumenten waarmee kleine vennootschappen dat tarief kunnen verlagen, mits ze aan bepaalde voorwaarden voldoen en bereid zijn te wachten.
De kernlogica van beide systemen verschilt fundamenteel, ook al komen ze voor nieuwe uitkeringen op hetzelfde eindtarief uit.
Liquidatiereserve werkt als volgt: je vennootschap reserveert een deel van de nettowinst van het boekjaar op een afzonderlijke passiefrekening. Op het moment van aanleg betaal je onmiddellijk een anticipatieve heffing van 10%. Wacht je daarna drie jaar, dan kun je het bedrag uitkeren tegen 9,8% roerende voorheffing. De gecombineerde belastingdruk komt dan uit op 18% (2026, voor reserves aangelegd vanaf boekjaar 2025). Bij liquidatie van de vennootschap is de liquidatiereserve volledig vrijgesteld van bijkomende roerende voorheffing: je betaalt dan enkel de 10% die je bij aanleg al voldaan hebt.
VVPR-bis werkt anders: je betaalt niets vooraf. De belasting valt pas op het moment van de effectieve dividenduitkering. Wie een kapitaalinbreng in geld heeft gedaan na 1 juli 2013, kan dividenden uitkeren aan een verlaagd tarief van roerende voorheffing, mits de juiste wachttermijn gerespecteerd wordt. Vanaf het derde boekjaar na het boekjaar van inbreng bedraagt dat tarief 15%, en stijgt dit naar 18% zodra het wetsontwerp van 23 februari 2026 gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad, verwacht per 1 mei 2026 (onder voorbehoud van de effectieve publicatiedatum).
De volledige vergelijking van beide systemen, inclusief het verschil bij liquidatie en de vergelijking met een IPT, vind je in de tabel verderop in dit artikel.
Wat er veranderd is: beide systemen komen uit op 18%
Tot voor de hervormingen hadden beide systemen een ander tarief en een andere logica. De liquidatiereserve kende een wachttijd van vijf jaar en een tarief van 5% roerende voorheffing bij uitkering, wat neerkwam op een gecombineerde belastingdruk van 13,64%. VVPR-bis leverde na drie jaar een tarief van 15% op.
Die asymmetrie is verdwenen. Voor reserves aangelegd vanaf boekjaar 2025 (afsluitingsdatum op of na 31 december 2025) geldt de nieuwe regeling: drie jaar wachttijd en 9,8% roerende voorheffing, wat met de anticipatieve heffing van 10% uitkomt op 18%. VVPR-bis wordt naar verwachting op hetzelfde niveau gebracht zodra de nieuwe programmawet in werking treedt.
Het rekenvoorbeeld maakt het verschil concreet:
| Scenario | Gewoon dividend | Liquidatiereserve (nieuw) | VVPR-bis (nieuw) |
|---|---|---|---|
| Brutoresultaat vennootschap | €10.000 | €10.000 | €10.000 |
| Vennootschapsbelasting (20%) | €2.000 | €2.000 | €2.000 |
| Nettowinst na VenB | €8.000 | €8.000 | €8.000 |
| Anticipatieve heffing (10%) | - | €800 | - |
| Beschikbaar voor uitkering | €8.000 | €7.200 | €8.000 |
| RV bij uitkering | €2.400 (30%) | €706 (9,8%) | €1.440 (18%) |
| Netto ontvangen | €5.600 | €6.494 | €6.560 |
| Totale belastingdruk op €10.000 | ~44% | ~35% | ~34,4% |
Beide gunstregimes blijven substantieel voordeliger dan een gewoon dividend. Het verschil tussen liquidatiereserve en VVPR-bis is op eindresultaat klein geworden, maar het verschil in cashflowlogica is dat niet.
Het cashflow-nadeel van de liquidatiereserve dat niet in de tarieven staat
De tabel hierboven toont eindresultaten. Wat hij niet toont, is het moment waarop de belasting betaald wordt.
Bij een liquidatiereserve betaal je de 10% anticipatieve heffing op het moment van aanleg. Dat geld is meteen weg uit de vennootschap. Je kunt die 800 euro in het voorbeeld niet meer laten renderen, niet inzetten voor investering en niet benutten voor een IPT-premie. Pas drie jaar later ontvang je de resterende uitkering. Daar komen twee bijkomende nadelen bij die de tarieftabel niet toont. Ten eerste de opportuniteitskost: die 800 euro had drie jaar kunnen renderen in de vennootschap, op een investering of in een pensioencontract. Bij een bescheiden rendement van 4% per jaar loopt dat op tot ruim 100 euro misgelopen groei op die ene storting. Ten tweede het inflatieverlies: de 800 euro die je vandaag betaalt is in reële termen meer waard dan het belastingvoordeel dat je er drie jaar later voor terugkrijgt. Bij een inflatievoet van 2% per jaar erosieert die vooruitbetaling zichtbaar in koopkracht.
Bij VVPR-bis betaal je niets vooraf. De volledige 8.000 euro na vennootschapsbelasting blijft beschikbaar in de vennootschap tot op het moment van de effectieve uitkering. Die liquiditeit kan in de tussentijd werken: investeren, aflossen, of storten in een pensioencontract.
Voor een startende of jonge vennootschap met beperkte cashreserves is dat een relevant verschil. Wie bij elke jaarafsluiting 10% anticipatief betaalt en pas drie jaar later uitkeert, geeft structureel liquiditeit weg aan de fiscus die hij pas later terugkrijgt via een iets lagere roerende voorheffing. Of dat de moeite loont, hangt af van één vraag: is er een scenario waarbij de liquidatiereserve later een specifiek voordeel oplevert dat VVPR-bis niet heeft?
Voor wie is de liquidatiereserve dan nog zinvol?
Er is één situatie waarin de liquidatiereserve een duidelijk voordeel behoudt ten opzichte van VVPR-bis: de liquidatie van de vennootschap.
Wie zijn vennootschap op termijn stopzet of vereffent, betaalt op de liquidatiereserve geen bijkomende roerende voorheffing. Je hebt bij aanleg 10% betaald, en daarna niets meer. Dat maakt de totale belastingdruk bij liquidatie 10%, tegenover 30% roerende voorheffing op gewone reserves.
VVPR-bis biedt dat voordeel niet. Bij een vereffening worden de reserves die niet als liquidatiereserve zijn aangelegd, belast aan het gewone tarief van 30% roerende voorheffing.
Voor wie zijn vennootschap ooit wil liquideren, is de liquidatiereserve dus nog altijd een strategisch instrument. Niet omdat ze fiscaal goedkoper is als je tussendoor uitkeert, maar omdat ze bij het einde van de rit een lagere eindrekening geeft.
Dat leidt tot twee profielen met een duidelijk verschillende voorkeur:
Een bedrijfsleider die regelmatig dividenden wil uitkeren zolang de vennootschap actief is, en die geen concrete liquidatieplannen heeft, heeft bij nieuwe winst (boekjaar 2026 en later) geen financieel voordeel meer bij de liquidatiereserve ten opzichte van VVPR-bis. De eindbelasting is gelijk, maar bij VVPR-bis betaal je geen 10% vooruit en behoudt de vennootschap haar liquiditeit.
Een bedrijfsleider die zijn vennootschap op termijn wil afbouwen of liquideren, heeft er belang bij om winst systematisch als liquidatiereserve weg te zetten. Bij liquidatie is dat de goedkoopste manier om het vermogen naar privé over te dragen.
Bestaande reserves: de overgangsregeling en haar timing
Wie al liquidatiereserves heeft aangelegd vóór boekjaar 2025, heeft een keuzerecht. Je kunt die reserves uitkeren volgens het oude regime (vijf jaar wachten, 5% roerende voorheffing, totale druk ~13,64%) of overstappen naar het nieuwe regime (drie jaar wachten, 6,5% roerende voorheffing, totale druk ~15%).
Welke keuze fiscaal het meest loont, hangt af van het aanlegjaar van de reserve en de beschikbare cashflowbehoefte. Wie geen dringende privébehoefte heeft en de volledige vijfjaarsgrens kan uitzitten, betaalt in de meeste gevallen minder via het oude regime. Wie sneller over het geld wil beschikken, kan kiezen voor het nieuwe regime. Het FIFO-principe (first in, first out) bepaalt dat bij een uitkering altijd eerst de oudste reserves worden geacht uitgekeerd te zijn.
Dit is een oefening die samenhangt met jouw specifieke timing en de balans van je vennootschap. Bespreek de timing met je boekhouder.
De IPT als derde piste: dezelfde euro, maar dan voor later
Liquidatiereserve en VVPR-bis zijn allebei antwoorden op dezelfde vraag: hoe haal ik winst zo voordelig mogelijk uit de vennootschap? Maar er is een andere vraag die die keuze voorafgaat: moet die winst nu naar privé, of is er een instrument dat fiscaal nog voordeliger is en tegelijk pensioenkapitaal opbouwt?
Een individuele pensioentoezegging (IPT) werkt met dezelfde vennootschapswinst, maar anders. De vennootschap stort een premie in een pensioencontract op jouw naam als bedrijfsleider. Die premie is volledig aftrekbaar als beroepskost, binnen de grenzen van de 80%-regel. De vennootschap bespaart onmiddellijk 20% of 25% vennootschapsbelasting op het gestorte bedrag. Jij betaalt pas personenbelasting op het moment van uitkering bij pensionering, aan een gunstig tarief van 10%.
Ter vergelijking: om hetzelfde bedrag via een dividend naar privé te sturen, betaal je eerst vennootschapsbelasting en daarna nog eens roerende voorheffing. De gecombineerde druk via VVPR-bis of liquidatiereserve is 18%. Via een IPT ligt de gecombineerde last in de meeste scenario's lager, en bouw je tegelijk vermogen op voor later.
Vertrekpunt: €10.000 brutoresultaat vennootschap vóór belasting.
| Parameter | Liquidatiereserve | VVPR-bis | IPT |
|---|---|---|---|
| Voor wie toegankelijk | Kleine vennootschappen (alle) | Vennootschappen met kapitaalinbreng na 1 juli 2013 | Bedrijfsleiders met regelmatige bezoldiging |
| Wachttijd voor voordelig tarief | 3 jaar na boekjaarafsluiting | Vanaf 4e boekjaar na inbreng | Tot pensioenleeftijd |
| Vennootschapsbelasting (20%) | €2.000 | €2.000 | €0 (premie aftrekbaar als beroepskost) |
| Nettowinst na VenB | €8.000 | €8.000 | €10.000 gaat rechtstreeks als premie |
| Anticipatieve heffing (10%) | €800 | - | - |
| Premietaks (4,4%) | - | - | €440 |
| RV bij uitkering going concern | €706 (9,8% op €7.200) | €1.440 (18% op €8.000) | - |
| Netto ontvangen privé (going concern) | ~€6.494 | ~€6.560 | - |
| Netto ontvangen privé (bij liquidatie) | ~€7.200 (geen bijkomende RV) | ~€5.600 (30% RV op €8.000) | - |
| Eindbelasting bij pensioen | - | - | 10% + RIZIV 3,55% + solidariteitsbijdrage 0-2% |
| Netto ontvangen privé (IPT bij pensioen) | - | - | ~€8.100-€8.300 (afhankelijk van solidariteitstarief) |
| Totale druk going concern | ~35% | ~34,4% | ~17-19% effectief |
| Totale druk bij liquidatie | ~20% | ~44% | - |
| Kapitaal beschikbaar privé | Na 3 jaar wachttijd | Onmiddellijk, maar pas vanaf 4e boekjaar na inbreng | Pas bij pensioen |
| Pensioenopbouw | Nee | Nee | Ja |
| Geschikt profiel | Systematisch liquidatieplan | Jaarlijkse uitkering, geen liquidatieplan | Pensioenopbouw bedrijfsleider |
*Bij going concern-uitkeringen geeft VVPR-bis marginaal meer netto dan de liquidatiereserve. Het voordeel van de liquidatiereserve zit uitsluitend bij de effectieve vereffening van de vennootschap. De IPT-berekening houdt geen rekening met rendement om de vergelijking zuiver te houden. Bij IPT-uitkering op pensionering gelden naast de eindbelasting van 10% ook een RIZIV-bijdrage van 3,55% en een solidariteitsbijdrage van 0 tot 2% afhankelijk van de hoogte van het aanvullend pensioen. De effectieve totale druk op de IPT ligt daardoor hoger dan de 10% eindbelasting alleen suggereert, maar blijft in de meeste scenario's lager dan de gecombineerde belastingdruk op een dividenduitkering, zeker wanneer het rendement op de ingelegde premie over de beleggingshorizon meegeteld wordt.*
De IPT is geen alternatief als je de winst nu privé nodig hebt. Ze is wel relevant als je je afvraagt wat de meest rendabele bestemming is voor de euro die in je vennootschap zit. Voor een uitgebreide vergelijking van IPT met andere pensioeninstrumenten lees je meer in onze post over de individuele pensioentoezegging voor bedrijfsleiders of in het overzicht van VAPZ of IPT als bedrijfsleider.
Welk profiel kiest wat?
De nieuwe regels maken de keuze eenvoudiger dan ze ooit was. Voor nieuwe winst zijn liquidatiereserve en VVPR-bis financieel equivalent als je tussendoor uitkeert. Het verschil zit in cashflow, toegankelijkheid en langetermijnstrategie.
Wie nog geen vennootschap heeft of dit jaar start, doet er goed aan te weten dat de kapitaalinbreng bij oprichting de basis legt voor VVPR-bis. Wie die inbreng verricht en zijn winst wil uitkeren zodra de wachttijd voorbij is, heeft bij nieuwe winst geen reden meer om de 10% anticipatieve heffing van de liquidatiereserve vooruit te betalen. De cash blijft beschikbaar, de eindbelasting is gelijk.
Wie zijn vennootschap ooit wil liquideren, denkt anders. Voor hem blijft de liquidatiereserve een instrument om systematisch vermogen op te bouwen dat bij het einde van de rit aan 10% overgaat naar privé, in plaats van aan 30%.
En wie zijn winstbestemming wil optimaliseren op de lange termijn, bekijkt niet alleen hoe hij winst uitkeert, maar ook wat er fiscaal voordeliger is dan uitkeren. Dat is precies waar een IPT het gesprek interessant maakt. Meer lezen over je totale pensioen- en vermogensstrategie als bedrijfsleider? Het volledige overzicht van toekomstopbouw geeft je de structuur.
Wil je weten welke aanpak past bij jouw vennootschap en jouw timing? Neem contact op via de contactpagina voor een gesprek zonder verplichtingen.
Wil je jouw situatie bespreken?
Een verkennend gesprek is altijd vrijblijvend en vertrekt vanuit jouw cijfers, niet vanuit een product.
Plan een gratis gesprek